skip to Main Content
Heeft u vragen? Bel 010 414 0257

afkoop en uitfasering pensioen in eigen beheer (2017)

Afkoop en uitfasering pensioen in eigen beheer (2017)

 

1      Aanleiding tot wijziging.

De wetgeving inzake pensioen in eigen beheer is met ingang van 1 april 2017 compleet gewijzigd. Het is niet langer mogelijk om in de eigen B.V. een pensioen op te bouwen. Als men een oudedagsvoorziening voor een DGA wil regelen moet dat bij een verzekeringsmaatschappij. Wel is er uitgebreid overgangsrecht.

Het grote voordeel van een pensioen bij de eigen B.V. was dat er jaarlijks een bedrag in aftrek gebracht kon worden van de fiscale winst van de B.V., de zogenaamde pensioendotatie of “oprenting”, maar dat deze aftrek in feite geen geld kostte. De pensioenpremie werd immers niet afgestort bij een verzekeringsmaatschappij. Je moest wel een pensioenbrief laten maken en elk jaar berekeningen, maar dan kreeg je zonder veel problemen een aftrekpost, en welke ondernemer wilde dat nou niet ?

Jaren geleden was het tarief van de vennootschapsbelasting nog 42 %. Inmiddels is dat gedaald tot 20-25 %. Het voordeel was daardoor wel minder geworden in de loop der jaren. Daar kwam bij dat de hoogte van de aftrekpost werd beperkt doordat je fiscaal uit moest gaan van een rendement van 4 % terwijl het rendement op staatsleningen eind 2016 rond de 0 % lag, dat je geen rekening mocht houden met het feit dat we gemiddeld steeds ouder worden (de leeftijdsterugstelling), dat geen rekening gehouden mocht worden met een toegezegde indexatie en dat je geen rekening mocht houden met het risico van vooroverlijden.

Het gevolg van deze ontwikkeling was dat de fiscaal toegestane hoogte van de pensioenverplichting, het bedrag dat gereserveerd moet worden om het toegezegde pensioen uit te betalen, de “fiscale waarde” veel lager was dan de werkelijke, commerciële waarde. Als de in de B.V. opgebouwde pensioenverplichting zou worden ondergebracht bij een verzekeringsmaatschappij, dan zou een premie betaald moeten worden gelijk aan de commerciële waarde. Die ligt veel hoger dan de fiscale waarde. Soms was de commerciële waarde wel 3 x zo hoog als de fiscale waarde.

De meeste jaarrekeningen worden in het MKB opgesteld op fiscale grondslagen. De DGA zag dus alleen de fiscale waarde van de pensioenverplichting in de balans staan. Alleen in de toelichting stond doorgaans ook de commerciële waarde.

De veel hogere commerciële dan fiscale waarde gaf problemen bij de financiering van een dergelijke B.V. omdat de bank rekening houdt met de werkelijke hoogte van de schulden en dus ook met de commerciële waarde van de pensioenverplichting. Ook konden veel B.V.’s geen dividend meer uitkeren, ook als het eigen vermogen volgens de fiscale balans hoog genoeg was. Dat kwam doordat de fiscus van mening is dat er in feite sprake is van een pensioenafkoop als je geld dat eigenlijk nodig is voor het pensioen, gaat uitkeren als dividend. Zelfs bij geringe dividenduitkeringen werd het standpunt ingenomen dat de hele pensioenaanspraak ofwel de commerciële waarde van het pensioen in zo’n situatie ineens belast is. Doorgaans ook nog eens tegen het hoogste tarief van de inkomstenbelasting ofwel 52 %. Daar kwam nog een boete bij van 20 %, de zogenaamde revisierente, vanwege het eerder beschikken over het pensioen dan toegestaan. Ofwel in totaal een heffing van 72 % over de commerciële waarde van het pensioen.

Voorbeeld.

Dhr. X, DGA van Y B.V., heeft zichzelf een oudedagspensioen en voor zijn echtgenote een nabestaandenpensioen toegekend. Vanaf zijn AOW leeftijd krijgt hij een pensioen van € 45.000 uit de B.V.. Als hij overlijdt krijgt zijn echtgenote € 31.500 per jaar.

X is inmiddels 60 jaar oud. Op de balans staat een pensioenverplichting van ca. € 450.000. Dat is de fiscale waarde. De werkelijke waarde is circa € 1.200.000. Dat heet de commerciële waarde.

Stel dat de B.V. een eigen vermogen heeft van € 750.000 volgens de fiscale balans. Er is dan dus naast de pensioenvoorziening van € 450.000 een bedrag, groot € 750.000 extra aanwezig om het pensioen uit te betalen. In totaal € 1.200.000 hetgeen net voldoende is om het pensioen te kunnen betalen.

X besluit vervolgens om € 100.000 dividend uit te keren. Normaliter kost dat 25 % heffing ofwel € 25.000. In dit geval zal de belastingdienst het standpunt innemen dat het pensioen is afgekocht omdat er na de uitkering van € 100.000 dividend niet meer € 1.200.000 in de B.V. zal zitten om het pensioen te kunnen betalen, zodat een aanslag zal worden opgelegd ter grootte van (52 +20)% over € 1.200.000. Dat is wel even wat anders, een aanslag van € 864.000 in plaats van € 25.000. Hoezo redelijke belastingheffing ?

 

Het probleem dat geen dividend kon worden uitgekeerd omdat de commerciële waarde van de pensioenverplichting het gehele eigen vermogen deed verdwijnen noemt men de dividendklem. Daar wilde iedereen van af.

Hoewel het pensioen in eigen beheer een goede functie had en heeft, doordat de pensioenpremie voor de DGA feitelijk niet behoefde te worden betaald aan een verzekeringsmaatschappij en toch aftrek mogelijk was waardoor minder vennootschapsbelasting verschuldigd was. Daardoor hield de B.V. veel meer geld in kas om in haar financieringsbehoefte te voldoen.

Toch wilde de staatssecretaris af van het pensioen in eigen beheer. Hij heeft daarom gekozen voor de uitfaseervariant. Een DGA kan hierdoor niet langer zijn pensioen in eigen beheer opbouwen. Hij mag wel wat opgebouwd is zo laten. Deze variant wordt behandeld in hoofdstuk 2. Het is echter ook mogelijk om de opgebouwde pensioenpot ineens uit te keren (men spreekt dan van afkoop) of om te zetten in een oudedagsverplichting. Deze komen aan de orde in hoofdstuk 3 en hoofdstuk 4.

2      Voortzetting pensioen in eigen beheer.

Normaliter werd het toegezegde ouderdomspensioen jaarlijks hoger vanwege het feit dat je weer een jaar langer had gewerkt voor de B.V.. Er werd vaak gestreefd naar een pensioen ter grootte van 70 % van het laatstverdiende salaris bij een diensttijd van 40 jaar. Per jaar leverde dat een opbouw van 1 ¾ % op. Veel DGA’s hebben de pensioenopbouw overigens al enkele jaren geleden gestopt.

Volgens de nieuwe regels kan vanaf 2017 geen verdere opbouw van pensioen in eigen beheer meer plaatsvinden. Degene die wil fiscaal gefacilieerd wil sparen voor zijn pensioen is dus verplicht om dat in de toekomst te doen bij een verzekeringsmaatschappij, een bank of een beleggingsmaatschappij.

Voor de reeds opgebouwde pensioentoezegging geldt echter dat deze wel door de eigen B.V. moet worden nagekomen. Daar moet dan wel voldoende vermogen voor zijn. Men mag daardoor nog jaarlijks een beetje toevoegen aan de fiscale pensioenverplichting. Het bedrag wordt jaarlijks actuarieel bepaald, waarbij rekening gehouden moet worden met een rekenrente van 4 %, met sterftekansen enz. In de praktijk komt het erop neer dat de fiscale pensioenverplichting jaarlijks met ca. 5 % mag worden verhoogd tot de ingangsdatum.

Voorbeeld.

Stel dat een DGA zich een pensioen heeft toegekend van € 50.000, ingaande op 65 jarige leeftijd. Hij is begonnen op zijn 25e jaar met opbouw van het pensioen. Nu is hij 45 jaar oud. Hij heeft dus slechts € 25.000 aan ouderdomspensioen opgebouwd. Mocht hij komen te overlijden dan heeft zijn partner doorgaans recht op een nabestaandenpensioen ter grootte van 70 % van het normaliter te bereiken ouderdomspensioen ofwel van € 35.000.

Vanaf het moment dat de pensioenopbouw stopt wordt het nabestaandenpensioen afgestemd op het bereikte ouderdomspensioen. Stel dat het overlijden in 2017 plaatsvindt; dan is het nabestaandenpensioen dus € 17.500.

Voorbeeld.

Stel dat de fiscale pensioenverplichting eind 2016 € 300.000 bedraagt, dan kan in de jaren daarna jaarlijks ca. 5 % van de laatste stand (over 2017 dus € 15.000) worden toegevoegd aan de pensioenverplichting. Dit bedrag vormt een aftrekpost. Er wordt vanaf 2017 geen extra pensioen opgebouwd omdat men een jaar langer heeft gewerkt, daar wordt dan ook geen rekening mee gehouden.

2.1     Ingangsdatum

Het pensioen moet uiterlijk ingaan 5 jaar na het bereiken van de AOW gerechtigde leeftijd. Zoals bekend stijgt deze leeftijd de komende jaren. Het is dus mogelijk om de ingangsdatum van het pensioen uit te stellen. Men hoeft dan niet per se nog te werken. Het zogenaamde doorwerkvereiste geldt niet meer vanaf 2017.

2.2     Overige regels.

Vrijwel alle regels die nu gelden voor pensioen in eigen beheer  blijven hetzelfde. Daardoor blijft de eerder besproken dividendklem bestaan en mag de vennootschap ook niet teveel uitlenen aan de DGA. Worden die regels overtreden dan volgt onherroepelijk belastingheffing over de commerciële waarde van de pensioenverplichting tegen 52 %, verhoogd met 20 % revisierente !

3      Uitkering pensioenpot (afkoop pensioen).

3.1     Afkoop met maximaal 34,5 % korting .

Gedurende drie jaren, 2017 – 2019, is het mogelijk om alle pensioenrechten af te kopen met een flinke korting. Het gaat dan uitsluitend om de fiscale waarde van de verplichting volgens de balans per 31-12-2015. De korting is niet van toepassing op de opbouw in 2016 en 2017.

De korting is 34,5 % in 2017; 25 % in 2018 en 19,5 % in 2019. De afkoop kan dus het beste zo snel mogelijk na 1 april 2017 plaatsvinden.

Omdat de toegezegde pensioenaanspraken (de rechten op het pensioen) veel meer waard zijn dan de fiscale waarde volgens de balans moet je bij deze variant afzien van een deel van de rechten. Ofwel, de B.V. zal na de afkoop geen ouderdomspensioen maar ook geen nabestaandenpensioen meer uitkeren. In ieder geval moet vóór 1 juli 2017 worden vastgelegd dat een DGA afziet van het deel van de aanspraken boven de fiscale waarde !.

In plaats van pensioenrechten krijgt de DGA een afkoopsom.

Voorbeeld.

Op de balans van 31-12-2015 staat een pensioenverplichting van € 400.000. Over 2016 en 2017 t/m 1 april groeit deze verplichting aan met € 40.000 tot € 440.000.

De te betalen belasting bij afkoop op 1-4-2017 is als volgt te berekenen:

[(100 – 34,5) % x € 400.000 + € 40.000] x 52 % = € 157.040.

De netto afkoopsom bedraagt derhalve € 440.000 – € 157.040 = € 282.960. Dat bedrag mag de DGA dus uit zijn B.V. halen of verrekenen met zijn schuld aan de B.V..

3.2     Meerdere aanspraken ?

Vaak heeft een DGA recht op ouderdomspensioen en zijn partner op nabestaandenpensioen. Degene die wil afkopen moet alle pensioenrechten welke in eigen beheer zijn opgebouwd afkopen.

3.3     Goedkeuring (ex)partner.

De (ex)partner van de DGA moet schriftelijk instemmen met deze afkoop. Eerst had de (ex)partner namelijk recht op het nabestaandenpensioen.  Bij echtscheiding zou de (ex)partner recht hebben op het nabestaandenpensioen en 50 % van het ouderdomspensioen voor zover dat is opgebouwd tijdens het huwelijk. Dat geeft de (ex)partner prijs. Op een of andere manier moet de (ex)partner daarvoor worden gecompenseerd. Voor degenen die in gemeenschap van goederen gehuwd zijn is dat geen probleem.

Veel ondernemers hebben echter bewust huwelijkse voorwaarden gemaakt. Dan moeten extra afspraken gemaakt worden tussen de echtgenoten zodat de (ex)partner wordt gecompenseerd voor het prijsgeven van diens rechten.

Na een echtscheiding is het nog veel lastiger om de instemming van de ex-partner te krijgen. Die is nodig als deze nog rechten op nabestaanden- of ouderdomspensioen hebben die nog niet zijn verrekend (de pensioenverevening heeft nog niet volledig plaatsgevonden), bijvoorbeeld omdat er geen liquide middelen waren om de koopsom hiervoor af te storten bij een verzekeringsmaatschappij.

Bij afkoop moet de DGA maar ook zijn/haar (ex)partner op een formulier aangeven dat de (ex)partner akkoord gaat met de afkoop en dat de (ex)partner op een of andere wijze wordt gecompenseerd. De wijze waarop mag een ieder zelf bepalen.

Opgemerkt wordt dat de meeste B.V.’s niet in staat zijn om de pensioenverplichtingen volledig na te komen. Door de lage marktrente is het vermogen vaak onvoldoende om de pensioenen tot in lengte van jaren uit te betalen. Dit geldt in ieder geval voor B.V’s met een negatief fiscaal eigen vermogen, maar ook voor B.V.’s met een fiscaal positief eigen vermogen maar commercieel negatief eigen vermogen. In die situaties hoeft er uiteraard ook minder te worden gecompenseerd.

3.4     Informatieverplichting.

Een belangrijke voorwaarde voor toepassing van de faciliteit is dat de belastingdienst binnen 1 maand wordt geïnformeerd over de afkoop middels het toezenden van het formulier. Zonder te voldoen aan deze verplichting is de korting van 19,5 tot 34,5 % dus niet van toepassing en is daarboven 20 % revisierente verschuldigd.

3.5     Afkoop van reeds ingegaan pensioen.

De mogelijkheid tot afkoop van pensioenrechten of tot omzetting van pensioen in een oudedagsverplichting is er ook voor DGA’s die al in de uitkeringsfase zitten. Zij kunnen dus ook hun pensioenverplichting afkopen met een korting van 34,5 % in 2017 of de verplichting omzetten in een oudedagsverplichting. Let op, deze mogelijkheid bestaat alleen gedurende de jaren 2017-2019. De feitelijke werking wijkt iets af.

Bij reeds ingegane pensioenen wordt de fiscale pensioenverplichting jaarlijks lager. De korting van 34,5 % wordt dan niet toegepast op de verplichting per ultimo 2015 maar op de werkelijke fiscale waarde van de pensioenverplichting op het moment van afkoop.

Voorbeeld.

Stel dat de pensioenverplichting volgens de balans per ultimo 2015 bedraagt € 400.000. Jaarlijks wordt € 30.000 pensioen uitgekeerd. Stel de fiscale waarde van het pensioen per 1 april 2017 bedraagt € 390.000 (€ 400.000 + 5 % x € 400.000 –  € 30.000). In dat geval is de korting 34,5 % x € 390.000 = € 134.550.

Er moet dus belasting worden betaald over € 390.000 – € 134.550 = € 255.450. Dit bedrag wordt belast met het progressieve tarief van de inkomstenbelasting van maximaal 52 %. Doordat in het jaar van afkoop ook gebruik gemaakt kan worden van de lager belaste schijven zal het effectieve tarief doorgaans lager liggen. Per saldo zal het feitelijke tarief over de afkoopsom lager dan 35 % zijn.

3.6     Gevolgen van afkoop voor de vennootschapsbelasting.

Het verdwijnen van de pensioenverplichting uit de balans heeft geen gevolgen voor de heffing van vennootschapsbelasting. Na de afkoop kan niet meer worden gereserveerd voor het pensioen, waardoor per saldo jaarlijks meer vennootschapsbelasting verschuldigd zal zijn.

4      Omzetting pensioenverplichting in oudedagsverplichting

4.1     Afzien pensioen bij omzetting in oudedagsverplichting.

Als afkoop niet mogelijk is omdat er geen geld is om de loonbelasting te betalen of als afkoop niet wenselijk is kan de pensioenverplichting worden omgezet in een oudedagsverplichting. Dat kan op elk gewenst moment in de periode 2017-2019. Wat fiscaal is opgebouwd als pensioenverplichting wordt op dat moment dus omgezet in een oudedagsverplichting. In de B.V. wordt alleen een ander naambordje opgehangen. Ook hierbij vervallen in dat geval dus alle rechten op het opgebouwde ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Het is belangrijk om reeds vóór 1 juli 2017 vast te leggen dat de bestaande pensioenregeling is beëindigd.

4.2     Werking oudedagsverplichting.

4.2.1      Opbouwfase

Vanaf de omzetting wordt de verplichting jaarlijks opgerent met een door de Staatssecretaris vast te stellen “markt”rente. Die rente zal worden gebaseerd op het U rendement. Momenteel is het U rendement zelfs negatief. Dat kan in de toekomst natuurlijk weer veranderen. Tot de ingangsdatum wordt de oudedagsverplichting opgerent. De oudedagsverplichting moet ingaan binnen 2 maanden na het bereiken van de AOW gerechtigde leeftijd. Doet men dat niet dan wordt het als een afkoop gezien met als gevolg maximaal 52 % belasting en 20 % revisierente over de bestaande oudedagsverplichting.

Voorbeeld.

Stel dat de pensioenverplichting fiscaal per 31-12-2016 € 350.000 bedraagt. De DGA besluit op 1-1-2018 om het pensioen om te zetten in een oudedagsverplichting. In 2018 is de door de Staatssecretaris vastgestelde marktrente 2 %.

Dan is de pensioenverplichting per 31-12-2017 opgerent met ca. 5 % (volgens de oude regels voor pensioen in eigen beheer) tot € 367.500. Vervolgens wordt deze omgezet in een oudedagsverplichting. Die rent in 2018 op met 2 % tot € 374.850.

4.2.2      Uitkeringsfase zolang DGA in leven is.

De oudedagsverplichting moet in 20 jaren worden uitgekeerd vanaf de AOW leeftijd.

Voorbeeld.

Stel dat de oudedagsverplichting per 1-1-2019 € 374.850 bedraagt en dat de DGA vanaf die dag AOW krijgt. Dan moet de B.V. in 2019 € 374.850/20 = € 18.742,50 uitbetalen. De oudedagsverplichting wordt dan verminderd met dat bedrag tot € 356.107,50, maar moet vervolgens weer worden opgerent. Stel voor dat in 2019 de marktrente 3 % is. Dan wordt de oudedagsverplichting per 1-1-2010 € 366.790. De uitkering voor 2010 wordt dan € 366.790/19 = € 19.304,77.

Het is mogelijk om de termijnen al eerder in te laten gaan, nl. 5 jaar voordat de DGA AOW gerechtigd wordt, maar dan wordt de uitkeringsduur verlengd tot maximaal 25 jaar.

4.2.3      Uitkeringsfase na overlijden DGA.

Bij overlijden gaan de resterende jaartermijnen over naar de erfgenamen. Het is nog onduidelijk of er bij meerdere erfgenamen voor gekozen kan worden dat de termijnen bijvoorbeeld alleen naar de partner of alleen naar de kinderen gaan.

4.3     Goedkeuring (ex)partner.

Ook hier zal de (ex)partner in moeten stemmen met het afzien van de pensioenrechten. In plaats van een nabestaandenpensioen zal hij/zij uitkeringen krijgen krachtens de oudedagsverplichting. Die uitkeringen zullen lager zijn dan de pensioenuitkeringen waar hij/zij anders recht op zou hebben gehad. Ook valt er geen pensioen meer te verevenen bij echtscheiding. Er zal dus ook in deze situatie iets moeten worden geregeld tussen de partners om het verlies van pensioenrechten te compenseren.

Het is mogelijk om overeen te komen dat de oudedagsverplichting bij echtscheiding voor een nader te bepalen deel over gaat naar de partner.

4.4     Informatieplicht.

Ook hierbij moet de belastingdienst binnen een maand na de omzetting hierover worden geïnformeerd. Doet men dat niet dan volgt progressieve belastingheffing plus revisierente tot in totaal maximaal 72 % van de waarde van de pensioenaanspraak.

4.5     Afkoop oudedagsverplichting in periode 2017-2019.

Het is mogelijk om eerst de pensioenverplichting om te zetten in een oudedagsverplichting om deze vervolgens alsnog af te kopen. Dat kan met de eerder genoemde kortingen en zonder revisierente plaatsvinden, mits het gebeurt in de periode 2017 – 2019.

4.6     Omzetting reeds ingegaan pensioen in oudedagsverplichting.

Bij omzetting van een reeds ingegaan pensioen moet de op het moment van omzetting bestaande fiscale pensioenverplichting worden omgezet in een oudedagsverplichting. Dit bedrag moet vervolgens worden uitgekeerd in minder dan 20 jaren. De uitkeringstermijn is 20 jaren minus het aantal jaren dat men al AOW gerechtigd is.

Voorbeeld.

Als de DGA zijn pensioenverplichting omzet in een oudedagsverplichting als hij 75 jaar oud is en dus al 10 jaar AOW geniet, dan moet die oudedagsverplichting worden uitgekeerd in 10 jaar. Jaarlijks wordt het bedrag iets verhoogd door rente.

Stel dat de pensioenverplichting op het moment van omzetting in een oudedagsverplichting € 200.000 is, dan moet dus jaarlijks gedurende 10 jaren ca. € 20.000 worden uitgekeerd.

4.7     Gevolgen omzetting in oudedagsverplichting voor de vennootschapsbelasting.

De omzetting van een pensioenverplichting in een oudedagsverplichting heeft geen gevolgen voor de heffing van vennootschapsbelasting. Vanaf de omzetting moet de oudedagsverplichting worden opgerent met de marktrente. Die oprenting is aftrekbaar van de fiscale winst. Nu de marktrente zo laag is zal de oprenting ook lager zijn dan de huidige jaarlijkse verhoging van de pensioenverplichting omdat daarbij uitgegaan wordt van een minimale rekenrente van 4 %. Als de marktrente weer stijgt kan dat natuurlijk anders worden.

5      Bijzondere onderwerpen.

5.1     Omzetting oudedagsverplichting in lijfrente.

Het is mogelijk om de oudedagsverplichting tot uiterlijk 2 jaar na het bereiken van de AOW gerechtigde leeftijd om te zetten in een lijfrenterekening. Dat is een soort spaarprodukt bij een bank, verzekeringsmaatschappij of beleggingsmaatschappij. Men kan kiezen uit:

  • Een lijfrentespaarrekening: vast rendement
  • Een lijfrenteverzekering: uitkering afhankelijk van gekozen vorm (levenslang of tijdelijk)
  • Een lijfrentebeleggingsverzekering: rendement afhankelijk van beleggingsopbrengst.

Elk van deze produkten heeft eigen regels.  Doorgaans kan gekozen worden voor de volgende uitkeringen:

  • Levenslange uitkering aan DGA
  • Nabestaandenuitkering
  • Tijdelijke uitkering aan DGA

De ingangsdatum is daarbij uiterlijk 5 jaar na het bereiken van de AOW leeftijd.

Bij een lijfrentespaarrekening of beleggingsverzekering moet doorgaans in 20 jaar worden uitgekeerd, maar ook daar zijn varianten op mogelijk.

5.2     Omzetting pensioenverplichting in oudedagsverplichting of afkoop indien aandelen in handen zijn van anderen.

Bij afkoop van pensioenverplichtingen of omzetting in een oudedagsverplichting stijgt in feite de waarde van de aandelen van de B.V.. Er behoeft immers doorgaans minder te worden uitgekeerd door de B.V.. Daarom leidt deze handeling volgens de wetgever tot een belaste schenking als de aandelen van de B.V. in handen zijn van iemand anders. Vaak zullen dat de kinderen zijn.

5.3     Fictieve heffing erfbelasting indien aandelen in handen zijn van anderen.

Het overlijden van de pensioengerechtigde leidt tot een waardestijging van de aandelen van de B.V. waar de pensioenverplichting op de balans staat. Als de aandelen van die B.V. in handen zijn van anderen, vaak de echtgenoot of de kinderen, dan wordt over deze waardestijging erfbelasting geheven.

Na afkoop van de pensioenverplichting of omzetting in een oudedagsverplichting treedt deze waardestijging niet meer op, waardoor deze “fictieve” heffing niet meer aan de orde is. Dat is wel een belangrijk voordeel ten opzichte van een pensioenverplichting.

5.4     Afzien van pensioenuitkeringen of uitkeringen uit oudedagsverplichting als B.V. niet meer kan betalen.

Veel B.V.’s kunnen zelfs het bedrag aan pensioenverplichting volgens de fiscale balans niet meer uitbetalen omdat de B.V. te weinig vermogen heeft. In dat geval moet er toch zo lang mogelijk uitbetaald worden door de B.V.. Het is niet mogelijk om tussentijds af te zien van een deel van de termijnen. Vaak zal het verstandig zijn om in een dergelijke situatie de verplichting sowieso om te zetten in een oudedagsverplichting omdat de verplichte uitkeringen dan lager zullen zijn.

Voor het geval de pensioenverplichting niet wordt gewijzigd bestaat er nog een bijzondere regeling voor pensioenen die “ernstig” onder water staan. Hierbij moet er minder dekking zijn dan 75 % van de fiscale waarde van de verplichting. In dat geval mogen de pensioenuitkeringen op de ingangsdatum worden verlaagd.

5.5     Te hoge Rekening Courant schuld aan de B.V.

Een DGA die een schuld heeft aan een B.V. met een pensioen- of oudedagsverplichting wordt nauwlettend in de gaten gehouden door de fiscus. Als de lening of Rekening courant aan de DGA niet kan worden terugbetaald dan kan de fiscus het standpunt innemen dat er sprake is van afkoop van de pensioen- of oudedagsverplichting, met als gevolg progressieve belastingheffing en revisierente tot maximaal 72 % in totaal.

Alleen als aangetoond kan worden dat er ten tijde van het opnemen van de lening geen reden was om te veronderstellen dat het bedrag niet terugbetaald zou kunnen worden is er niets aan de hand. Als er echter op een gegeven moment wel weer een mogelijkheid is om de lening af te lossen, dan moet men dat ook doen anders zal er alsnog sprake kunnen zijn van afkoop.

5.6     Waardeoverdracht van externe polissen.

Soms is een deel van de pensioentoezegging elders verzekerd. Tot en met 2016 bestaat voor polissen die niet onder de Pensioenwet vallen de mogelijkheid om het elders opgebouwde bedrag over te hevelen naar de eigen B.V.. Het bedrag kan vervolgens in 2017-2019 uitbetaald worden aan de DGA, maar hierop is de korting van 34,5 % – 19,5 % niet van toepassing. Er is geen revisierente verschuldigd.

Deze overdracht lijkt dus interessant, maar is het vaak niet omdat na de overdracht soms een belaste vrijval plaats vindt van een gedeelte van de uitkering van de verzekeraar omdat de pensioenverplichting per ultimo 2016 volgens fiscale maatstaven moet worden gewaardeerd.

6      Korte samenvatting.

Als geen gebruik wordt gemaakt van de overgangsregeling, blijft de pensioenaanspraak per 1 april 2017 in tact en blijft dientengevolge de “dividendklem” in stand zo lang er een groot verschil is tussen de commerciële en fiscale waardering van de pensioenverplichting. De verdere pensioenopbouw in eigen beheer is niet meer mogelijk; alleen op 1 april 2017 bestaande rechten moeten worden nagekomen.

Het alternatief is om zonder heffing van belasting overgaan tot het afzien van de pensioenaanspraken. Dat kan op twee manieren:

  1. De DGA laat de “fiscale” pensioenpot uitbetalen. Daarover moet de B.V. dan wel maximaal 52 % loonbelasting betalen, maar hij krijgt een korting op de grondslag van maximaal 34,5 %. Als gevolg hiervan wordt de RC schuld van de DGA lager of ontstaat een vordering van de DGA op zijn B.V. De liquiditeitspositie van de B.V. verslechtert omdat de loonbelasting afgedragen moet worden.
  2. De DGA zet de “fiscale” pensioenpot over in een oudedagsverplichting. De liquiditeitspositie van de B.V. blijft hetzelfde. Wel moet deze oudedagsverplichting vanaf de AOW leeftijd in 20 jaar worden uitgekeerd.

7      De Keuze

Nu het wetsvoorstel is aangenomen moet iedere DGA met zijn partner vóór 1 juli 2017 een bewuste keuze maakt voor een variant, dus voortzetting van de huidige situatie, afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting. In ieder geval moet worden vastgelegd dat de huidige pensioenregeling uiterlijk per ultimo juni 2017 wordt beëindigd en dat verdere opbouw niet meer in eigen beheer plaats vindt.

Daarbij moet worden bedacht dat het pensioenrecht destijds misschien mede uit fiscale overwegingen werd toegezegd, maar bedoeld was om te dienen als oudedagsvoorziening.

Na afkoop verdwijnt de pensioenverplichting uit de balans. Het is belangrijk om te beseffen dat er dan dus niets meer “gereserveerd” staat in de B.V.. Ook de fiscus zal er niet meer op toezien dat er voldoende over blijft voor de oude dag.

Bij omzetting in een oudedagsverplichting worden de pensioenaanspraken in feite enorm verlaagd; alleen wat fiscaal al opgebouwd is moet als oudedagsvoorziening worden uitgekeerd. Na 20 jaar is dat potje leeg. Voor degenen met een jonge partner kan dat verstrekkende gevolgen hebben.

Men wordt bij afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting meer dan nu zelf verplicht om te waken over de eigen oudedagsvoorziening.

Voor de financierbaarheid van een onderneming is de omzetting van de pensioenverplichting in een oudedagsverplichting gunstig. De solvabiliteit zal toenemen omdat men bevrijd zal zijn van de verplichting om tot in lengte van jaren een (hoger) bedrag aan pensioen uit te keren. Het verschil tussen de commerciële en de fiscale waarde van een pensioenverplichting bestaat dan niet meer; alleen de oudedagsverplichting kan als schuld worden beschouwd.

Het is zeer belangrijk om zo snel mogelijk met de accountant, fiscalist, en pensioenadviseur tot een beslissing te komen.

 

Rotterdam, mei 2017

Back To Top